
Jurisprudentie
BF0078
Datum uitspraak2008-09-03
Datum gepubliceerd2008-09-09
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/6445 WAO
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-09
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/6445 WAO
Statusgepubliceerd
Indicatie
Herziening WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag? Eerst in hoger beroep afdoende arbeidskundige toelichting.
Uitspraak
06/6445 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Naam appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 10 oktober 2006, 05/349 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 3 september 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juli 2008. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Grinsven.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellante is ten gevolge van lichamelijke en psychische klachten op 20 maart 1989 uitgevallen voor haar werk als medewerkster wasserij. Zij ontvangt sinds 1990 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In het kader van een herbeoordeling heeft de verzekeringsarts R.P.C. Melker appellante onderzocht en, zoals is aangegeven in zijn rapport van 29 oktober 2004 en de Functionele mogelijkhedenlijst (FML) van dezelfde datum, geconcludeerd dat de belastbaarheid van appellante ten opzichte van een eerdere herbeoordeling – waarbij een FML is opgesteld van 23 oktober 2003 – niet is veranderd. Vervolgens heeft arbeidsdeskundige H. Oerlemans op 10 november 2004 een rapport uitgebracht, waarin hij heeft aangegeven dat appellante geschikt kan worden geacht voor functies die vanuit het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) werden verkregen. Op basis van drie van deze functies, te weten medewerker linnenkamer, textielproductenmaker en productiemedewerker industrie, heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante berekend op 49,43%. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van 12 november 2004 de WAO-uitkering van appellante met ingang van 12 januari 2005 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.
1.2. Bij besluit van 4 april 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv, na een heroverweging door de bezwaarverzekeringsarts, het bezwaar van appellante tegen het besluit van 12 november 2004 ongegrond verklaard.
1.3. De rechtbank heeft bij aangevallen uitspraak doorslaggevende betekenis toegekend aan het op haar verzoek door deskundige B.J. van Eyk, psychiater te Oosterhout, op 13 maart 2006 over de gezondheidstoestand van appellante uitgebrachte rapport en diens daarin vervatte conclusies gevolgd, waarna de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond heeft verklaard.
2. De Raad overweegt als volgt.
2.1. Uit de rapportage van verzekeringsarts Melker blijkt dat deze op de hoogte was van de lichamelijke klachten van appellante, waaronder de ziekte van Crohn, diabetes Mellitus en het carpaal tunnelsyndroom (CTS) aan beide handen, en dat hij appellante psychisch heeft onderzocht. De bezwaarverzekeringsarts K. Kok heeft appellante, aansluitend op de hoorzitting van 25 januari 2005 – waar appellante heeft meegedeeld dat zij een dag eerder een CTS-ingreep aan de linkeronderarm heeft ondergaan – lichamelijk en psychisch onderzocht. Bij zijn beoordeling heeft de bezwaarverzekeringsarts Kok onder meer de medische informatie van de gastro-enteroloog van 22 november 2004, de plastisch chirurg van 2 december 2004, de huisarts van 4 februari 2005 en de reumatoloog van 24 februari 2005 meegewogen. Ten aanzien van de op 24 januari 2005 uitgevoerde CTS-ingreep aan de linkeronderarm van appellante heeft Kok overwogen dat, nu appellante ter zake van deze operatie zich opnieuw arbeidsongeschikt heeft gemeld, bij het primaire medische onderzoek kan worden bezien of er inmiddels wel objectieve aanknopingspunten zijn voor het aanscherpen van de beperkingen zoals vastgelegd in de FML van 29 oktober 2004. Nu de door de rechtbank ingeschakelde psychiater van Eyk na onderzoek en kennisname van de gedingstukken heeft geconcludeerd dat hij kan instemmen met de door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid en de Raad voorts in hetgeen appellante in hoger beroep, zonder enige medische onderbouwing, heeft aangevoerd onvoldoende aanknopingspunten ziet voor twijfel aan de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsarts ten aanzien van de datum hier in geding, te weten 12 januari 2005, ziet de Raad geen aanleiding het medisch onderzoek onzorgvuldig te achten, dan wel de uitkomst daarvan voor onjuist te houden.
2.2. Ten aanzien van de arbeidskundige onderbouwing overweegt de Raad het volgende.
2.3. In het licht van de uitspraken van de Raad van 9 november 2004 (LJN: AR4716 en volgende) heeft het Uwv desgevraagd een rapportage overgelegd van 13 mei 2008 van de bezwaararbeidsdeskundige W. Heijmans. Naar het oordeel van de Raad heeft Heijmans in deze rapportage toereikend gemotiveerd waarom de voor de schatting gebruikte functies door appellante kunnen worden vervuld. Nu echter deze toelichting eerst in hoger beroep is gegeven bestaat er aanleiding het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak te vernietigen, doch met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.
3. De Raad is niet gebleken dat appellante proceskosten heeft gemaakt die op grond van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking komen.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gericht tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 142,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J.F. Bandringa en P.J. Jansen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 september 2008.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) E.M. de Bree.
JL